Een bowlingcentrum met een restaurant is in de ogen van de kantonrechter geen 290-bedrijfsruimte, als het bowlen de hoofdzaak is. In een beschikking van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3965) oordeelt de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, dat de huurder daardoor geen huurbescherming heeft en het pand uiterlijk 31 augustus 2026 moet verlaten.
Twee regimes, groot verschil
Het onderscheid is voor huurders van wezenlijk belang. Bij 290-bedrijfsruimte, zoals winkels en horeca, kan de verhuurder alleen op wettelijke gronden opzeggen en beslist de rechter of de huur werkelijk eindigt. Voor overige bedrijfsruimte geldt artikel 7:230a BW: de huur eindigt door opzegging, en de huurder kan de rechter slechts vragen de ontruimingstermijn te verlengen. Welk regime van toepassing is, hangt af van de bestemming die in de huurovereenkomst is afgesproken.
Langdurig conflict
Huurder en verhuurder, beide besloten vennootschappen die in de uitspraak anoniem zijn, procederen al jaren over onder meer huurprijs en servicekosten. De huurovereenkomst dateert uit juni 1998 en werd gesloten door hun rechtsvoorgangers, voor een ruimte in een uitgaanscomplex met als bestemming bowlingcentrum. De verhuurder zegde op en zegde ontruiming aan per 1 januari 2026. De huurder vroeg vervolgens om een jaar uitstel, maar stelde zich primair op het standpunt dat het 290-regime gold, met de bijbehorende opzegbescherming. Een eerdere beschikking van dezelfde rechtbank uit januari 2024 over het huurregime speelde geen rol: partijen hadden in hoger beroep afgesproken daaraan geen gevolgen te verbinden.
Gemengde huur, geen splitsing
Omdat de huidige partijen niet zelf bij het sluiten van het contract betrokken waren, legde de kantonrechter de overeenkomst uit volgens de Haviltex-maatstaf: wat hadden de oorspronkelijke partijen voor ogen? De bestemming werd ruim uitgelegd: bowlingbanen met horecavoorzieningen én een restaurant. Daarmee is sprake van een gemengde huurovereenkomst, want een restaurant valt onder artikel 7:290 BW en een bowlinghal onder artikel 7:230a BW. Splitsing in twee afzonderlijke huurovereenkomsten wees de rechter af. Bowlen en horeca zijn in de hal sterk verweven, beide delen werden jarenlang gezamenlijk geëxploiteerd en splitsing zou het geschil tussen partijen alleen verder compliceren. Dat de ruimtes fysiek gescheiden zijn, is volgens eerdere rechtspraak van de Hoge Raad niet doorslaggevend.
Welk regime dan geldt, hangt af van het overwegende gebruik. Dat is hier het bowlen: het restaurant bood volgens de overgelegde websiteschermen vooral arrangementen in combinatie met bowlen aan en was niet dagelijks open. Stellingen over vloeroppervlak en omzetaandeel van de horeca overtuigden niet.
Geen vrijwillige keuze voor 290
De huurder voerde ook aan dat partijen destijds bewust voor het 290-regime hadden gekozen, onder meer vanwege het gebruikte ROZ-model voor winkelruimte en de opzegclausule met termijnen van tien en vijf jaar. Volgens de kantonrechter bewijzen titels en losse bepalingen nog geen keuze om alle beschermingsbepalingen op het hele gehuurde toe te passen. Ook latere gedragingen van de verhuurder, zoals onderhandelingen over huurprijsherziening, maakten dat niet anders.
Wanbetaling beslissend
Omdat het 230a-regime geldt, kon de huurder wel om verlenging van de ontruimingstermijn vragen. Dat verzoek strandde op een verplichte afwijzingsgrond: de huurder had een eerder vonnis tot betaling van ruim € 57.000 aan huur en servicekosten niet voldaan.
Betekenis en vervolg
De zaak illustreert dat het gebruik van een 290-model of het label winkelruimte geen garantie biedt voor huurbescherming bij gemengde objecten. Voor leisure-locaties met horeca loont het om de bestemming en het toepasselijke regime bij aanvang expliciet vast te leggen. Partijen gaven aan dat verdere procedures niet zijn uitgesloten.
Bron: Rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2026:3965 · Extra bron: Omgevingsweb