Voor familiebedrijven met vastgoed in een bv is het een belangrijke uitspraak: de bedrijfsopvolgingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting vereist niet dat de opvolger ook de volledige zeggenschap verkrijgt. Dat oordeelde het Gerechtshof Amsterdam op 28 mei 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1492).
De casus
Een vader hield alle aandelen in een bv die via dochters vastgoed exploiteert. In 2012 bracht hij die aandelen onder in een stichting administratiekantoor (stak) en ontving hij certificaten. Zijn zoon trad datzelfde jaar toe tot het bestuur van de bv. Begin 2017 schonk de vader alle certificaten aan zijn zoon. Het bestuur van de stak, en daarmee het stemrecht op de aandelen, bleef bij de vader.
Omdat de bv als onroerendezaaklichaam geldt, is de verkrijging van (certificaten van) aandelen belast met overdrachtsbelasting. De zoon deed een beroep op de vrijstelling voor bedrijfsopvolging binnen de familie. De inspecteur legde eind 2022 toch een naheffingsaanslag op van ruim € 3,5 miljoen plus belastingrente. Hij vond dat zonder overgang van zeggenschap geen sprake is van voortzetting van de onderneming door de verkrijger.
Het oordeel
De Rechtbank Noord-Holland stelde de zoon eind 2024 al grotendeels in het gelijk en verminderde de aanslag tot ongeveer de helft. Het hof bevestigt die uitspraak. Een vereiste van volledige zeggenschap blijkt niet uit de wettekst en evenmin uit de wetsgeschiedenis, aldus het hof, en ook de Hoge Raad heeft zo’n eis in eerdere arresten niet aanvaard. Wie zonder zeggenschap economisch gerechtigd is tot een onderneming, kan voor deze vrijstelling als ondernemer gelden.
Het hof verwijst daarnaast naar vaste rechtspraak waarin certificaten worden gelijkgesteld met de onderliggende aandelen wanneer het economische belang bij de certificaathouder ligt. De voortzettingseis betekent in zo’n geval dat de verkrijger het volledige economische belang moet behouden en dat de onderneming niet geheel of gedeeltelijk wordt gestaakt.
Betekenis voor de praktijk
Certificering via een stak is een gangbaar instrument om bij generatiewisselingen het economisch belang over te dragen en de zeggenschap voorlopig bij de oudere generatie te laten. De uitspraak maakt duidelijk dat die structuur een beroep op de vrijstelling in de overdrachtsbelasting niet in de weg staat, mits aan de overige voorwaarden is voldaan. Voor adviseurs van familiebedrijven met vastgoed is dat relevant bij het plannen van schenkingen.
Wat volgt
Beide partijen konden binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad. Of daarvan gebruik is gemaakt, blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraak. Een cassatieberoep zou de Hoge Raad de kans geven definitief duidelijkheid te scheppen over het zeggenschapsvraagstuk.
Bestuur en zeggenschap in de praktijk
Uit de vastgestelde feiten blijkt hoe de zeggenschap was verdeeld. Vader en zoon vormden vanaf april 2012 samen het bestuur van de bv, aanvankelijk elk zelfstandig bevoegd en vanaf juni 2021 gezamenlijk. Het bestuur van de stak lag tot 1 augustus 2023 uitsluitend bij de vader. Sindsdien bestaat het uit vader, diens echtgenote en de zoon, waarbij de vader volgens de statuten evenveel zeggenschap heeft als de andere twee samen.
Volgens de administratievoorwaarden moest de stak alle uitkeringen op de aandelen direct doorgeven aan de certificaathouders. Het economische belang lag daarmee volledig bij de houder van de certificaten.
Bron: Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2026:1492 · Extra bron: Omgevingsweb