Rechtbank Gelderland, kort geding 23 september 2026 – ECLI:NL:RBGEL:2026:7404
De voorzieningenrechter weigert een geplande executieveiling van een landgoed in Oost-Gelderland stil te leggen. Pearl Capital B.V. had € 7,5 miljoen en later € 8,3 miljoen geleend voor de ombouw van een voormalige afvalverbrandingsinstallatie tot attractiepark. Dat object is al executoriaal verkocht voor € 6,5 miljoen, waarna de financier beslag legde op ander vastgoed.
De eiser wilde eerst een onderhandse verkoop beproeven, maar de taxatie (€ 4,5 miljoen) lag onder de vordering van een andere eerste hypotheekhouder (€ 4,69 miljoen). Misbruik van bevoegdheid acht de rechter niet aannemelijk. De veiling stond gepland op 2 oktober 2026; de uitkomst is nog niet bekend.
Van financiering tot executie
De eiser is een ondernemer die oude bedrijfspanden opkoopt en ombouwt tot horeca- en amusementsgelegenheden. Zijn laatste project was het attractiepark in een voormalige afvalverbrandingsinstallatie. Pearl Capital, een onderneming die kredieten en andere vormen van vermogen verstrekt, sloot in oktober 2024 een eerste leningsovereenkomst van € 7,5 miljoen en in augustus 2025 een nieuwe van ruim € 8,29 miljoen. Als zekerheid kreeg de financier een eerste recht van hypotheek op het attractiepark; de ondernemer en zijn vennootschappen verbonden zich bovendien hoofdelijk.
In februari 2026 kondigde Pearl Capital parate executie aan. Na de executoriale verkoop van het attractiepark voor € 6,5 miljoen legde de financier in april 2026 beslag op andere registergoederen, waaronder het landgoed. Op dat landgoed rust sinds december 2025 een eerste hypotheek van een andere partij, die een lening van € 5 miljoen tegen 6 procent rente had verstrekt. Twee vennootschappen van de ondernemer zijn inmiddels failliet verklaard. De vordering van Pearl Capital bedraagt volgens het vonnis meer dan € 5 miljoen, met een dagrente van ruim € 4.500.
Geen misbruik van bevoegdheid
De ondernemer stelde dat Pearl Capital de veiling vooral als pressiemiddel gebruikte, omdat er geen overwaarde zou zijn en de opbrengst eerst naar de andere hypotheekhouder gaat. De voorzieningenrechter wijst dat af. Een schuldeiser mag zijn vordering verhalen op alle goederen van de schuldenaar (artikel 3:276 BW). Misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW) vergt bijzondere omstandigheden. Dat een onderhandse verkoop meer zou kunnen opbrengen, is daarvoor onvoldoende; anders zou openbare verkoop in het algemeen geen bruikbare executiemaatregel meer zijn.
Ook vond de rechter niet vaststaan dat de veiling minder zal opbrengen dan de eerste hypotheek. De taxatiewaarde van € 4,5 miljoen is gelijk aan het bedrag waarvoor het landgoed in 2009 werd gekocht, en eind 2025 werd het nog voor € 5,2 miljoen (terug)gekocht. Daarnaast had de ondernemer, behalve het laten taxeren, geen concrete stappen gezet richting onderhandse verkoop. Pearl Capital ontvangt al geruime tijd geen rente, terwijl het zijn investeerders wel moet betalen.
Uitkomst
De vorderingen zijn afgewezen en de ondernemer is veroordeeld in de proceskosten van ruim € 2.100. Vanwege de spoedeisendheid deed de rechter op de dag van de zitting al uitspraak; de motivering volgde later. De zaak illustreert hoe beperkt de ruimte is om een executieveiling in kort geding tegen te houden, ook wanneer een onderhandse verkoop in theorie meer zou opleveren.
Bron: Rechtspraak.nl