Spring naar inhoud

Vastgoedkoerier

Nieuws over zakelijk vastgoed in Nederland en België: transacties, kantoren, logistiek, retail, huurrecht, personalia en marktanalyses

  • Nieuws
  • Intern nieuws
  • Corporate vastgoed
  • Achtergronden
  • Vastgoedpolitiek
  • Cijfers
  • Sectoren
    • Woningmarkt
    • Kantoren
    • Retail
    • Logistiek
  • Transacties
  • Juridische zaken
  • Veilingen
  • Personalia
  • Podcast
  • Gossip
  • Meer
    • Events
    • Vacatures
    • Uitgelicht
    • Werk
    • Specials
    • Agenda
    • Over
    • Tips & contact
Juridische zaken, Nieuws, Retail

Rechtbank Rotterdam: Kuwait Petroleum schond concurrentiebeding bij erfpacht Tango-tankstation

Kuwait Petroleum heeft met een tweede tankstation een wederkerig concurrentiebeding uit een erfpachtovereenkomst geschonden. In het geschil over de verkochte liters, de basis voor de variabele canon, gaat de rechtbank voorlopig uit van de schatting van de grondeigenaren.

Roderick van Vleuten
1 oktober 2025
11-17 minuten

De Rechtbank Rotterdam heeft op 1 oktober 2025 in een tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2025:12047) geoordeeld dat Kuwait Petroleum (Nederland) B.V. een concurrentiebeding heeft geschonden dat was opgenomen in een overeenkomst van erfpacht en opstal voor een onbemand Tango-tankstation. Daarnaast legt de rechtbank de oliemaatschappij een zware bewijspositie op in het geschil over de verkochte liters brandstof, waarop de variabele canon voor de grondeigenaar was gebaseerd. Omdat Kuwait de schatting van de grondeigenaren onvoldoende heeft weersproken, gaat de rechtbank voorlopig uit van die schatting. Over de financiële gevolgen moeten partijen eerst nog op een zitting praten.

Partijen en advocaten

Eisers: [eiser sub 1] en [eiser sub 2] B.V. (samen [eiser c.s.]; geanonimiseerd)
Advocaat: mr. W.A.J. Hagen, Stellicher Advocaten (Arnhem) · info@stellicher.nl · 026 377 71 88

Gedaagde: Kuwait Petroleum (Nederland) B.V.
Advocaat: mr. M.A. Jacobs, Ploum (Rotterdam) · m.jacobs@ploum.nl · 010 440 64 40

Instantie: Rechtbank Rotterdam, team handel en haven (meervoudige kamer) · Datum: 1 oktober 2025 · ECLI: ECLI:NL:RBROT:2025:12047
Deelgebied: Erfpacht

Advocaat in deze zaak? Wij nemen uw zienswijze op deze uitspraak en de betekenis ervan voor de vastgoedsector graag op. Mail Roderick van Vleuten via roderick@vastgoedkoerier.nl.

Een tankstation op andermans grond

De zaak draait om een tankstation in een middelgrote gemeente die in de gepubliceerde uitspraak geanonimiseerd is. Op 2 mei 2002 sloten de rechtsvoorgangers van de eisers en de rechtsvoorganger van Kuwait een overeenkomst van erfpacht en opstalrecht. Daarmee kreeg de oliemaatschappij het recht om op een perceel van de grondeigenaar een onbemand Tango-tankstation te bouwen en dat gedurende de looptijd te exploiteren. Kuwait had in maart 2004 Tango Holding B.V. overgenomen, het bedrijf achter het netwerk van onbemande Tango-stations.

De eisers zijn een particulier, die aandeelhouder en bestuurder is van een vennootschap die in Nederland en België autowasstraten en tankstations exploiteert, en die vennootschap zelf. Beide zijn in de uitspraak geanonimiseerd; wij houden dat zo.

De vergoeding voor het gebruik van de grond bestond uit twee delen: een vaste canon en een variabele canon, beide inclusief opstalretributie. De variabele component hing af van de hoeveelheid verkochte brandstof. In het eerste jaar werd het voorschot gebaseerd op een verwachte omzet van 2.500 kubieke meter brandstof. Daarna werd het voorschot jaarlijks opnieuw vastgesteld op basis van de verkopen in de laatste zes maanden, en binnen drie maanden na afloop van elk boekjaar volgde de afrekening. De grondeigenaar zou bovendien binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een accountantsverklaring over die afrekening ontvangen.

In de praktijk liep het volgens de rechtbank zo: de grondeigenaar stuurde maandelijks voorschotnota’s, Kuwait gaf na afloop van het jaar per e-mail de maandelijks verkochte hoeveelheden door en de grondeigenaar stelde op basis daarvan een eindfactuur op.

Het concurrentiebeding

In artikel 24 van de overeenkomst hadden beide partijen zich verplicht om binnen een op een kaart omlijnd gebied geen ander benzinestation of wasstraat op te richten of te exploiteren, direct of indirect. Het beding was dus wederkerig: zowel de grondeigenaar als de oliemaatschappij was gebonden.

In mei 2011 vroeg Kuwait schriftelijk om een eenmalige ontheffing van dat beding, om in dezelfde plaats een tweede Tango-station te kunnen openen. De grondeigenaar weigerde dat in juni 2011. Toch exploiteert Kuwait sinds 11 april 2018 – de vestigingsdatum volgens het Handelsregister – in dezelfde plaats een tweede tankstation.

Opzegging, verkoop en een opvallende trendbreuk

De grondeigenaar zegde de overeenkomst op per brief van 21 september 2021, tegen 28 september 2021. Op de einddatum kocht hij de afzonderlijke vermogensbestanddelen van het tankstation van Kuwait voor € 105.000, gelijk aan de resterende boekwaarde. Dezelfde dag verkocht hij perceel en station door aan een aan de exploitatievennootschap gelieerde B.V. voor € 1.480.000. Daarna werd het station voortgezet door een gelieerde vennootschap.

Eind 2022 vroeg de advocaat van de eisers Kuwait om de accountantsverklaringen over 2016 tot en met 2022. In februari 2023 overhandigde Kuwait twee rapporten van feitelijke bevindingen van Baker Tilly Netherlands N.V. over de brandstofverkopen in 2021 en 2022. In juli 2023 maakten de eisers aanspraak op nabetaling van de variabele vergoeding en op schadevergoeding, en op 21 september 2023 volgde de dagvaarding.

De kern van het verwijt: volgens de eisers had Kuwait jarenlang te lage verkoopcijfers opgegeven. Uit de schatting die zij in het geding brachten, blijkt het volgende beeld. Vanaf de start in 2002 liep de verkochte hoeveelheid brandstof geleidelijk terug van zo’n 7 miljoen liter naar ruim 3,5 miljoen liter in 2021. Vanaf oktober 2021 – direct na het einde van de overeenkomst – begon het volume te stijgen. In elke maand van 2022 lag de verkoop 50 tot 150 procent hoger dan in dezelfde maand een jaar eerder, en over heel 2022 kwam het station uit op 7,7 miljoen liter. Toen het station in oktober 2022 weer door de vennootschap van de eisers werd geëxploiteerd en klanten met een Tango-tankpas wegvielen, zakten de volumes iets terug, maar ze bleven in 2022 en 2023 volgens de schatting vrij constant op een veel hoger niveau dan vóór oktober 2021.

Die stijging zagen de eisers niet terug bij hun eigen tankstations in Arnhem en een andere plaats, en ook landelijk niet: volgens cijfers van brancheorganisatie NOVE daalde de afzet in 2022 juist licht, met 0,9 procent ten opzichte van 2021.

De vorderingen

De eisers vorderden een verklaring voor recht dat Kuwait vanaf de opening van het tweede station het concurrentiebeding had overtreden, een verklaring voor recht dat Kuwait aansprakelijk is voor de schade, en betaling van ruim € 2,7 miljoen inclusief rente. Als schadeposten noemden de eisers gemiste variabele canon (begroot op € 722.102) en een lagere verkoopprijs bij de doorverkoop van het station (de eisers stelden dat zij bij juiste volumecijfers € 860.000 meer hadden kunnen vangen), vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast stelden zij omzetverlies te hebben geleden door de concurrentie van het tweede station.

Kuwait: het beding is nietig

Kuwait erkende dat het in 2018 in strijd met het concurrentiebeding het tweede station had geopend, en dat dat station op de lokale markt concurreert met het eerste. Haar verweer was dat het beding nietig is op grond van artikel 6 lid 2 van de Mededingingswet en artikel 101 lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Volgens Kuwait is het beding een marktverdelingsafspraak tussen twee partijen die op de nationale markt concurrenten zijn en lokaal potentiële concurrenten. Daarmee zou het een mededingingsbeperkende strekking hebben. Partijen hadden in de visie van Kuwait ook kunnen kiezen voor een hogere vaste vergoeding in plaats van een variabele canon met een wederkerig beding; een eenzijdig beding ten gunste van de grondeigenaar zou eerder het karakter van een branchebeschermingsclausule hebben gehad. Kuwait voerde verder aan dat het beding in een relatief kleine gemeente merkbare gevolgen had voor de concurrentie op de markt voor motorbrandstoffen, dat het geen nevenrestrictie is omdat het verder gaat dan noodzakelijk, en dat de uitzondering van artikel 6 lid 3 Mededingingswet en artikel 101 lid 3 VWEU niet van toepassing is. Subsidiair stelde Kuwait dat de eisers niet hadden aangetoond dat zij door de schending schade hebben geleden.

De eisers bestreden dit betoog gemotiveerd.

De rechtbank: de lat voor ‘strekking’ ligt hoog

De rechtbank zet eerst het Europese toetsingskader uiteen. Of een beding een mededingingsbeperkende strekking heeft, hangt af van de bewoordingen en doelstellingen ervan en van de economische en juridische context, waaronder de aard van de goederen of diensten en de structuur en werking van de markt. Ook de bedoelingen van partijen mogen meewegen. De rechtbank verwijst daarbij naar de arresten van het Hof van Justitie in Pierre Fabre Dermo-Cosmétique (13 oktober 2011, ECLI:EU:C:2011:649) en Allianz Hungária (14 maart 2013, ECLI:EU:C:2013:160).

Het begrip strekkingsbeperking moet volgens het Hof van Justitie restrictief worden uitgelegd: het gaat alleen om vormen van coördinatie die de mededinging zó schaden dat onderzoek naar de effecten niet nodig is. De rechtbank haalt daarvoor Groupement des cartes bancaires (C-67/13, 11 september 2014) en Maxima Latvija (C-345/14, 26 november 2015) aan. Dat een afspraak de potentie heeft om concurrentie te beperken, maakt haar nog niet tot een strekkingsbeperking. Wie zich op strijd met het mededingingsrecht beroept, moet dat onderbouwen met een gedegen economische analyse op basis van concrete feiten.

Aan die eis voldeed Kuwait niet. Dat het hier om een strekkingsbeding gaat, is volgens de rechtbank bepaald niet evident. Kuwait had niets concreets gesteld over de relatieve posities en marktaandelen van zichzelf, de exploitatievennootschap en andere brandstofaanbieders, en ook de bedoelingen van partijen waren niet uitgewerkt. Voor de vraag of de mededinging daadwerkelijk merkbaar is beïnvloed, ontbrak een marktanalyse. Dat partijen hun afspraken ook anders hadden kunnen inrichten, is onvoldoende.

Omdat Kuwait de schending zelf erkende, acht de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat het beding is overtreden toewijsbaar, net als de verklaring voor recht dat Kuwait aansprakelijk is voor de schade: de wanprestatie kan volgens de rechtbank buiten kijf aan Kuwait worden toegerekend.

Het gevorderde schadebedrag wijst de rechtbank (nog) niet toe. De omvang van de schade is betwist en volgens de rechtbank onvoldoende uitgewerkt en onderbouwd. Op de zitting is gesproken over het benoemen van een deskundige om de schade in deze procedure te begroten. Een alternatief is verwijzing naar de schadestaatprocedure; de mogelijkheid van schade is gezien de aard van het geschonden beding aannemelijk, en dat is volgens vaste rechtspraak voldoende voor zo’n verwijzing. Dat punt wordt op een volgende zitting besproken.

Verkoopvolumes: Kuwait moet meer doen dan ontkennen

Het tweede twistpunt betreft de volumecijfers. Uitgangspunt is de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: wie zich beroept op de rechtsgevolgen van een stelling, moet die stelling bewijzen. De eisers moeten dus aannemelijk maken dat de cijfers waarop de variabele canon is berekend onjuist zijn.

De rechtbank geeft de eisers op een belangrijk punt gelijk. De rapporten van Baker Tilly volstaan niet als vervanging van de contractueel beloofde accountantsverklaring: volgens de rapporten zelf is op de door Kuwait aangeleverde cijfers geen accountantscontrole toegepast en is ook geen beoordelingsopdracht uitgevoerd. De term ‘accountantsverklaring’ in de overeenkomst van 2002 doelde volgens de rechtbank op wat sinds een wijziging van de beroepsregels (NV COS Standaard 705) per 15 december 2010 een controleverklaring heet. Daar mochten de eisers op rekenen.

Partijen slaagden er voor en tijdens de procedure – de rechtbank had de zaak na de mondelinge behandeling van 24 april 2024 juist daarvoor aangehouden – niet in om samen de volumecijfers aan de hand van de registratiesystemen van Kuwait vast te stellen.

Kuwait voerde aan dat de doorgegeven cijfers correct waren. Ze kwamen uit een geautomatiseerd systeem dat getankte liters registreert en vergelijkt met de tankinhoud; substantiële afwijkingen zouden bij de jaarlijkse audit zijn opgevallen. Medewerkers zouden geen belang hebben gehad bij onjuiste opgaven. De stijging na oktober 2021 verklaarde Kuwait uit nog scherpere sturing op prijs.

Die verklaring overtuigt de rechtbank niet. Tango was op de Nederlandse markt altijd al een prijsvechter, en de eisers stelden onweersproken dat het betrokken station ook vóór 2021 in het algemeen het goedkoopste in de regio was. Bovendien ligt de informatie waarmee de schatting kan worden gecontroleerd volledig bij Kuwait: naar eigen zeggen kan Kuwait de juistheid van de cijfers alleen onomstotelijk aantonen door ze naast het eigen digitale registratiesysteem te leggen. Daar komt bij dat Kuwait zich contractueel had verplicht die informatie betrouwbaar te verstrekken via een accountantsverklaring, wat niet is gebeurd. Daarom rust op Kuwait een verzwaarde betwistingsplicht.

Aan die plicht voldeed Kuwait niet. Er kwam geen met stukken onderbouwde verklaring voor de trendbreuk sinds oktober 2021, en Kuwait ging niet in op de specifieke situatie van dit station. De algemene en schetsmatige uitleg over een nieuw prijsmechanisme was onvoldoende toetsbaar, en ook verwijzingen naar landelijk meer personenauto’s en bevolkingsgroei in de regio waren te algemeen. De rechtbank gaat daarom bij de verdere beoordeling uit van de schattingen van de eisers.

Wat nu?

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan en heeft een mondelinge behandeling bepaald op 5 november 2025 in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein in Rotterdam. Daar worden de gevolgen besproken van de beslissing om van de schatting van de eisers uit te gaan, de vraag of een deskundige de schade moet begroten of dat verwijzing naar de schadestaat volgt, en de mogelijkheid van een minnelijke regeling. De uitspraak verwijst in de wetsverwijzingen verder naar een arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1354), waarin de Hoge Raad zich uitsprak over de vraag wanneer een besluit een mededingingsbeperkende strekking heeft. Het vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. A.C. Rop en mr. P.D. Olden.

Juridisch kader

Erfpacht en opstal. Erfpacht is volgens artikel 5:85 Burgerlijk Wetboek (BW) een zakelijk recht dat de erfpachter de bevoegdheid geeft een onroerende zaak van een ander te houden en te gebruiken; de erfpachter kan een canon verschuldigd zijn (artikel 5:85 lid 2 BW). Het opstalrecht (artikel 5:101 BW) maakt het mogelijk om gebouwen of werken in, op of boven andermans grond in eigendom te hebben – hier het tankstation. Partijen kunnen de canon vrij vormgeven, ook omzetafhankelijk, zoals in deze zaak.

Wanprestatie en schadevergoeding. De vorderingen zijn gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming (artikel 6:74 BW). Kan de omvang van de schade nog niet worden begroot, dan kan de rechter de zaak verwijzen naar de schadestaatprocedure (artikel 612 e.v. Rv); daarvoor volstaat dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.

Mededingingsrecht. Artikel 6 lid 1 Mededingingswet verbiedt overeenkomsten die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt wordt beperkt; lid 2 bepaalt dat zulke afspraken van rechtswege nietig zijn. Artikel 101 VWEU bevat de Europese evenknie voor afspraken die de handel tussen lidstaten kunnen beïnvloeden. Het derde lid van beide bepalingen biedt een uitzondering voor afspraken met voldoende efficiëntievoordelen die deels aan afnemers ten goede komen. Een nevenrestrictie is een beperking die rechtstreeks verband houdt met en noodzakelijk is voor een op zichzelf toelaatbare hoofdtransactie.

Stelplicht en verzwaarde betwistingsplicht. De bewijslast ligt in beginsel bij de partij die zich op een rechtsgevolg beroept (artikel 150 Rv). Beschikt de wederpartij over de gegevens die nodig zijn om de juistheid van een stelling te controleren, dan mag van die wederpartij worden verlangd dat zij haar betwisting met feitelijke gegevens onderbouwt. Doet zij dat niet, dan kan de rechter de stelling als onvoldoende betwist aannemen.

Betekenis voor grondeigenaren, beleggers en exploitanten

Omzetafhankelijke vergoedingen vragen om controle. Wie grond, een pand of een locatie uitgeeft tegen een vergoeding die afhangt van de omzet of afzet van de gebruiker – denk aan tankstations, maar ook aan omzethuur in winkelcentra, horeca en parkeervoorzieningen – is afhankelijk van cijfers die de gebruiker aanlevert. Dit vonnis laat zien hoe belangrijk een contractueel recht op een controleverklaring van een accountant is, en dat een rapport van feitelijke bevindingen daar niet hetzelfde is.

Een trendbreuk kan het verschil maken. De eisers konden geen inzage krijgen in het registratiesysteem, maar bouwden een schatting op uit drie bronnen: het historische verloop over twintig jaar, de cijfers van eigen vergelijkbare stations en landelijke branchecijfers. Omdat de echte gegevens bij de wederpartij lagen, verschoof daardoor de bal naar Kuwait.

Een wederkerig concurrentiebeding is niet zomaar nietig. Een beroep op het kartelverbod vraagt een gedegen economische analyse, met marktaandelen, marktafbakening en de bedoelingen van partijen. Wie zo’n beding wil aanvechten, moet daar vroeg in de procedure in investeren. Wie zo’n beding afsluit, doet er goed aan in de overeenkomst vast te leggen waarom de bescherming nodig is voor de investering of de vergoedingsstructuur.

Weigering van ontheffing telt. Kuwait vroeg in 2011 uitdrukkelijk om ontheffing en kreeg die niet. De latere opening van een tweede station was daardoor een bewuste schending, die Kuwait in de procedure ook erkende.

Praktische tips

  • Leg de controleverklaring expliciet vast. Benoem in erfpacht-, opstal- of huurovereenkomsten met een variabele vergoeding het soort accountantsopdracht (controleverklaring volgens de geldende standaarden), de termijn en de gevolgen als de verklaring uitblijft, zoals een recht op eigen audit op kosten van de gebruiker.
  • Vraag tijdig en jaarlijks. Hier werden accountantsverklaringen pas na afloop van de overeenkomst over meerdere jaren tegelijk opgevraagd. Wie jaarlijks controleert, ontdekt afwijkingen eerder.
  • Bouw een eigen benchmark. Leg vergelijkingsmateriaal vast: eigen locaties, branchecijfers en het historische verloop. Dat kan de doorslag geven als de wederpartij de echte gegevens beheert.
  • Formuleer concurrentiebedingen proportioneel. Beperk ze in gebied en duur tot wat nodig is en leg de rechtvaardiging vast. Dat verkleint het risico op een geslaagd nietigheidsberoep.
  • Onderbouw schade vanaf het begin. De rechtbank wees het gevorderde schadebedrag nog niet toe omdat het onvoldoende was onderbouwd. Wie schadevergoeding vordert, doet er goed aan direct een deskundigenrapport over omzetderving en waardeverlies mee te sturen.

Bron: Rechtbank Rotterdam, 1 oktober 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:12047 (rechtspraak.nl)

Extra bronnen: NOvA Advocatenzoeker – mr. W.A.J. Hagen · NOvA Advocatenzoeker – mr. M.A. Jacobs

Dit delen:

  • Delen op X (Wordt in een nieuw venster geopend) X
  • Share op Facebook (Wordt in een nieuw venster geopend) Facebook
Like Aan het laden…
Tags: Advocaat: M.A. Jacobs, Advocaat: W.A.J. Hagen, Deelgebied: Erfpacht, Erfpacht, Kantoor: Ploum, Kantoor: Stellicher Advocaten, Kuwait Petroleum, Rechtbank Rotterdam, Tankstations

Laatste nieuws

  • Argos Packaging & Protection verhuist distributie naar 10.000 m² in Den Hoorn30 oktober 2026
  • Achmea Real Estate: seniorenwoningen kosten beleggers maar zes basispunten rendement30 oktober 2026
  • Rijswijk gaat stationsgebied in tien jaar vernieuwen met NS, ProRail, MRDH en provincie30 oktober 2026
  • Mike Dooijeweerd van CBRE naar Heeneman & Partners als financial controller30 oktober 2026
  • Rechter bekrachtigt onteigening logistiek terrein GDC-Noord Eindhoven30 oktober 2026
  • Wereldhave verkoopt Eggert Center Purmerend voor € 62,8 miljoen30 oktober 2026

Rubrieken

  • Achtergronden (114)
  • Corporate vastgoed (106)
  • Events (168)
  • Intern nieuws (36)
  • Juridische zaken (106)
  • Kantoren (318)
  • Logistiek (127)
  • Nieuws (439)
  • Personalia (101)
  • Podcast (11)
  • Retail (125)
  • Specials (1)
  • Transacties (141)
  • Uitgelicht (4)
  • Vastgoed in cijfers (11)
  • Vastgoedpolitiek (10)
  • Veilingen (9)
  • Werk (101)
  • Woningmarkt (244)

Nieuws of een tip? Stuur het de redactie.

Vastgoedkoerier.

Nieuws uit de wandelgangen van vastgoed-Nederland: intern nieuws van vastgoedpartijen, corporate vastgoed, juridische zaken, veilingen, personalia en events. Alle berichten met bronvermelding.

Ontvang het vastgoednieuws in uw mailbox.

Over · Tips & contact · Agenda · Vacatures · Privacy & disclaimer

© 2026 Vastgoedkoerier · Redactie: Roderick van Vleuten

  • Herbloggen
  • Abonneren Geabonneerd
    Vastgoedkoerier

    Heb je al een WordPress.com-account? Nu inloggen.

  • Vastgoedkoerier
    Korte link kopiërenBekijk bericht in Reader
    Beheer abonnementenAanmeldenInloggen
    Deze inhoud rapporteren
    Deze balk inklappen
%d