Erfpachtcanon die tijdens het faillissement van een erfpachter verschuldigd wordt, is geen boedelschuld. Dat heeft de Hoge Raad op 19 januari 2024 beslist in een zaak van Groningen Seaports tegen de curator van twee gefailleerde vennootschappen (ECLI:NL:HR:2024:56). Voor uitgevers van bedrijfsterreinen in erfpacht is dat een belangrijke uitkomst.
Bedrijfsterrein in de haven
Groningen Seaports, optredend namens het havenschap, had een bedrijfsterrein in erfpacht uitgegeven aan GOC Real Estate. Die vennootschap ging in 2015 failliet. De erfpachtrelatie bleef na het faillissement gewoon bestaan, maar de canon over de periode daarna werd niet betaald. Het havenbedrijf vorderde die canon van de boedel, met als argument dat het om een boedelschuld ging. Boedelschulden worden vóór de gewone (concurrente) schuldeisers voldaan.
Zowel de Rechtbank Noord-Nederland als het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees die vordering af. Groningen Seaports ging daarop in cassatie.
Kwalitatieve verbintenis, geen zakelijke plicht
Het havenbedrijf betoogde dat de canonverplichting deel uitmaakt van het erfpachtrecht zelf en daarmee een goederenrechtelijk karakter heeft. Bovendien zou het voor de hand liggen erfpacht gelijk te behandelen met huur en pacht, die de Faillissementswet in artikel 39 wél als boedelschuld aanmerkt. Ook bij erfpacht gaat het immers om een vergoeding voor het gebruik van een zaak die de curator kennelijk nodig heeft.
De Hoge Raad volgt dat niet. De plicht tot betaling van canon is in het systeem van het Burgerlijk Wetboek geen goederenrechtelijke verplichting, maar een kwalitatieve verbintenis die op de erfpachter rust. De wetgever heeft voor de canon en voor opzegging bij wanbetaling eigen regels gegeven in Boek 5 BW, maar geen bepaling opgenomen die vergelijkbaar is met de huurregeling in de Faillissementswet. De canon die tijdens het faillissement opeisbaar wordt, is daarom geen boedelschuld. De Hoge Raad sluit daarmee aan bij de conclusie van advocaat-generaal Snijders en verwerpt het cassatieberoep.
Wat betekent dit?
Voor gemeenten, havenbedrijven en andere grondeigenaren die terreinen in erfpacht uitgeven, betekent het arrest dat zij bij faillissement van de erfpachter voor lopende canon concurrent schuldeiser zijn. Zij moeten hun positie dus via andere wegen beschermen, bijvoorbeeld via de wettelijke opzeggingsmogelijkheid bij twee jaar wanbetaling of via zekerheden in de erfpachtvoorwaarden. Verhuurders hebben op dit punt, door de expliciete regeling voor huur, een sterkere positie dan erfpachtverleners. Met het arrest is de vraag voor de praktijk beslecht; het vonnis van de feitenrechters blijft in stand.