Gemeenten krijgen meer mogelijkheden om langdurige leegstand van woningen en gebouwen aan te pakken. De ministerraad heeft op vrijdag 17 april 2026 ingestemd met het voorstel om de gewijzigde Leegstandwet voor advies naar de Raad van State te sturen. Kern van de wijziging: gemeenten kunnen een eigenaar straks verplichten een leegstaand pand weer in gebruik te nemen of in gebruik te geven. Het kabinet wil het wetsvoorstel nog voor de zomer bij de Tweede Kamer indienen.
Van voordracht naar ingebruiknameplicht
Het voorstel komt van minister Elanor Boekholt-O’Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. De wijziging lag vorig jaar in internetconsultatie en is op basis van de reacties op een aantal punten verduidelijkt en verbeterd, aldus de Rijksoverheid.
De huidige Leegstandwet biedt gemeenten al de mogelijkheid om met een leegstandverordening te werken. Eigenaren moeten leegstand dan melden, waarna de gemeente met hen in overleg gaat over hergebruik. Als dat niets oplevert, kan de gemeente onder de bestaande wet een nieuwe gebruiker voordragen.
Het nieuwe wetsvoorstel vervangt de voordracht door een verplichting voor de eigenaar zelf. Volgens het kabinetsbericht kunnen gemeenten eigenaren verplichten om een pand weer in gebruik te nemen of in gebruik te geven. In de toelichting bij de consultatieversie redeneerde het ministerie dat het zoeken naar een gebruiker niet tot de kerntaken van een gemeente hoort; de verantwoordelijkheid komt zo nadrukkelijker bij de eigenaar te liggen.
Wat de consultatieversie regelde voor gebouwen
Voor eigenaren van kantoren, winkels en bedrijfsruimte is vooral de regeling voor ‘gebouwen’ van belang. In de consultatieversie werden de regels voor woonruimte en voor gebouwen in aparte hoofdstukken ondergebracht. Een gebouw is daarin een bouwwerk dat toegankelijk, overdekt en door wanden omsloten is en geen woonruimte is.
De consultatieversie bevatte de volgende hoofdlijnen voor gebouwen:
- Gemeenten kunnen in hun verordening voor gebouwen een langere meldtermijn vaststellen dan de zes maanden die voor woonruimte gelden. De toelichting noemde een jaar als voorbeeld voor ander type vastgoed.
- Na een melding volgt binnen drie maanden een leegstandsoverleg. Dat overleg kan ook plaatsvinden als de gemeente zelf leegstand vaststelt.
- Leidt het overleg niet tot ingebruikname en duurt de leegstand minstens twaalf maanden (of de langere termijn uit de verordening), dan kan de gemeente een ingebruiknameverplichting opleggen. De eigenaar krijgt daarvoor minimaal zes maanden, die op verzoek eenmalig met minstens drie maanden kunnen worden verlengd.
- De gemeente kan in de beschikking een maximale marktconforme huurprijs vastleggen.
- Een verbouwing naar een andere bestemming kan niet worden afgedwongen; alleen voorzieningen die nodig zijn voor de bestaande gebruiksfunctie.
- Staat een gebouw binnen een jaar na een beschikking opnieuw leeg, dan moet de eigenaar dat binnen vier weken melden.
- Tegen een beschikking staan bezwaar en beroep open.
Welke van deze onderdelen na de consultatie zijn bijgesteld, maakt het kabinetsbericht niet duidelijk. Dat wordt zichtbaar wanneer het wetsvoorstel met het advies van de Raad van State naar de Kamer gaat.
Woningen: stroomverbruik en tijdelijke verhuur
Voor woonruimte gaat het voorstel verder. Bij een vermoeden van leegstand mogen gemeenten het elektriciteitsverbruik van een woning opvragen om aan te tonen dat er niemand woont. In de consultatieversie gold die bevoegdheid nadrukkelijk niet voor andere gebouwen, omdat dat onevenredig werd geacht.
Ook de tijdelijke verhuur van woningen die te koop staan wordt aangescherpt. Die verhuur mag maximaal twee jaar duren, het woningwaarderingsstelsel wordt verplicht en de eigenaar moet aannemelijk maken dat de woning moeilijk verkoopbaar is. Voor woningen die worden gesloopt of gerenoveerd komt een collectieve vergunning voor tijdelijke verhuur. Eigenaren en gemeenten hoeven dan niet meer per leegstaande woning een aparte vergunning aan te vragen. Dat is vooral relevant voor corporaties en beleggers met complexen in de aanloop naar herontwikkeling.
Achtergrond: evaluatie en leegstandsheffing
De wetswijziging volgt op een evaluatie van de Leegstandwet door onderzoeksbureau RIGO, waarover de Kamer in december 2024 werd geïnformeerd. Daaruit bleek dat 26 gemeenten een leegstandverordening hadden, dat het effect op de leegstand niet eenduidig vast te stellen was en dat de uitvoering veel ambtelijke capaciteit kost. Over een leegstandbelasting adviseerden de onderzoekers die alleen te overwegen als de wetswijzigingen onvoldoende resultaat opleveren.
Sinds kort is er wel een fiscaal instrument voor woningen. Op 20 maart 2026 publiceerde de minister een besluit waarmee gemeenten een leegstandsheffing kunnen invoeren voor eigenaren van woningen die langer dan een jaar leegstaan. Gemeenten moeten die heffing zelf opnemen in hun belastingverordening; de VNG werkt aan een modelbesluit. De heffing is gericht op leegstaande woningen; kantoren en winkels komen in de aankondiging niet aan bod.
Leegstand in de zakelijke markt is ook geen theoretisch vraagstuk. Al decennia worstelen gemeenten met leegstaande kantoren op monofunctionele locaties en met lege winkelpanden in aanloopstraten. Tegelijk zien eigenaren leegstand vaak als tijdelijk en kiezen ze voor wachten boven verhuren onder de vraagprijs, mede omdat taxatiewaarden en financieringsvoorwaarden aan het huurniveau gekoppeld zijn. Een gemeentelijke ingebruiknameplicht met een maximale marktconforme huur kan die afweging veranderen.
Wat volgt
De Raad van State brengt nu advies uit. Daarna verwerkt het kabinet dat advies en dient het wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer, volgens de planning nog voor het zomerreces. In de consultatieversie was 1 januari 2027 als beoogde datum van inwerkingtreding genoemd, met een overgangstermijn van zes maanden voor bestaande experimentverordeningen. Of die datum haalbaar is, hangt af van de parlementaire behandeling.
Voor eigenaren van commercieel vastgoed betekent het voorstel dat langdurige leegstand in gemeenten met een leegstandverordening niet langer vrijblijvend is. Wie panden in portefeuille heeft die al lange tijd leegstaan, doet er goed aan de ontwikkelingen in de eigen gemeenten te volgen: de wet geeft gemeenten de instrumenten, maar het is aan de gemeenteraad om een leegstandverordening vast te stellen en de meldtermijnen in te vullen.
Bron: Rijksoverheid · Internetconsultatie – memorie van toelichting Wijziging Leegstandwet · Rijksoverheid – Leegstandsheffing nieuw instrument (23 maart 2026)