De kantonrechter van de Rechtbank Overijssel (zittingsplaats Enschede) heeft op 15 oktober 2026 in kort geding de ontruiming bevolen van een bedrijfsruimte waarvan de huur sinds februari 2026 niet meer was betaald. Het vonnis (ECLI:NL:RBOVE:2026:6496) is vooral interessant door wie er moet betalen: niet alleen de feitelijke gebruiker van het pand, maar ook een vennoot die al was uitgetreden uit de vennootschap onder firma die het pand oorspronkelijk huurde. Omdat hij zijn uittreding niet op de manier had gemeld die het huurcontract voorschreef, liep zijn aansprakelijkheid gewoon door. Daarnaast laat de uitspraak zien hoe de rechter omgaat met mede-eigenaren die zich in een huurgeschil willen mengen.
Partijen en advocaten
Instantie: Rechtbank Overijssel, kantonrechter (zittingsplaats Enschede), kort geding · Datum: 15 oktober 2026 · ECLI: ECLI:NL:RBOVE:2026:6496 · Deelgebied: Huur bedrijfsruimte (290), Ontruiming & incasso
Eiser / appellant: [eiser 1], deelgenoot in de gemeenschappelijke eigendom van het gehuurde (verhuurder)
Advocaat: mr. M.B. Bollen, SPRAAQ huur- en ondernemingsrecht (Almelo) · bollen@spraaq.nl · 085 333 2072
Wederpartij: [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] B.V.
Advocaat: geen; gedaagden procedeerden in persoon
Voegende partijen (mede-eigenaren): [eiser 2] en [eiser 3]
Gemachtigde: mr. drs. M. Wullink
Advocaat in deze zaak? Wij nemen uw zienswijze op deze uitspraak en de betekenis ervan voor de vastgoedsector graag op. Mail Roderick van Vleuten via roderick@vastgoedkoerier.nl.
Een huurcontract uit 2011 en een wisselende huurderskring
De zaak draait om een bedrijfsruimte die in de uitspraak uitdrukkelijk wordt aangeduid als 290-bedrijfsruimte, dus winkel-, horeca- of ambachtsbedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 van het Burgerlijk Wetboek. Het adres is in de gepubliceerde versie geanonimiseerd. De verhuurder is een van de deelgenoten in de gemeenschappelijke eigendom van het pand; er zijn dus meerdere eigenaren.
Met ingang van 1 maart 2011 verhuurde hij het pand aan een vennootschap onder firma en haar vennoten. In het huurcontract staat een bepaling (artikel 11.2) die later beslissend blijkt. De verhuurder gaat er volgens die bepaling mee akkoord dat er meer of andere vennoten toetreden tot de firma van de huurder. Tegelijk regelt de bepaling wanneer de aansprakelijkheid van een vennoot die vertrekt, eindigt: pas één jaar nadat de uittreding met een aangetekende brief aan de verhuurder is meegedeeld, gerekend vanaf de inschrijving van de uittreding in het handelsregister.
Op 31 januari 2023 tekenden partijen een allonge. Daarmee werden een andere vennootschap onder firma, een natuurlijke persoon en een besloten vennootschap samen huurder van het pand, met alle rechten en plichten uit het oorspronkelijke contract. Op 9 april 2024 kreeg de verhuurder een brief waarin werd gemeld dat er wijzigingen waren in de firma. De bv die mede-huurder was, was per 1 april 2024 verkocht aan [gedaagde 3], en [gedaagde 1] was als vennoot toegetreden tot de firma in de plaats van een eerdere vennoot. De schrijvers van de brief beriepen zich daarbij op de genoemde contractsbepaling over toe- en uittreding.
In september 2024 en april 2025 moest de verhuurder al eens aanmanen wegens achterstallige huur. Die huur werd daarna alsnog betaald. In 2026 ontdekte de verhuurder dat de firma die het pand contractueel huurde, per 11 februari 2026 was uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [gedaagde 1] stond niet langer als vennoot ingeschreven; in zijn plaats stond [gedaagde 4] B.V. Sinds begin 2026 werd het pand in de praktijk geëxploiteerd door [gedaagde 2].
Vanaf februari 2026 bleef de huur onbetaald. Op 15 juli 2026 schreef de verhuurder iedereen aan die hij als aansprakelijk zag: de contractuele huurders, de vennoten van de firma en de feitelijke gebruikers. Per e-mail van 27 augustus 2026 stelde hij zich op het standpunt dat er tussen hem en [gedaagde 2] geen huurovereenkomst of andere gebruikstitel bestond, zodat die het pand zonder recht of titel gebruikte.
Wat de verhuurder vorderde
In kort geding vorderde de verhuurder dat alle gedaagden hoofdelijk zouden worden veroordeeld om het pand binnen twee dagen na betekening van het vonnis te ontruimen. Verder eiste hij € 29.814,72 aan achterstallige huur tot en met augustus 2026, plus € 5.498,14 per maand tot de datum van het vonnis, € 1.800 aan contractuele boetes, € 1.073,15 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
De grondslag verschilde per gedaagde. [gedaagde 1] en [gedaagde 4] B.V. sprak hij aan op grond van de huurovereenkomst en artikel 18 van het Wetboek van Koophandel, dat vennoten van een vennootschap onder firma hoofdelijk aansprakelijk maakt voor de schulden van de firma. De overige gedaagden sprak hij aan op grond van een gebruiksovereenkomst. De verhuurder voerde aan dat de achterstand van bijna acht maanden zo ernstig was dat een bodemrechter de huurovereenkomst zeker zou ontbinden.
Het verweer: een vergunning en een uitschrijving
De gedaagden, die zonder advocaat procedeerden, betwistten de hoogte van de achterstand en de boetes niet. Hun verweer had twee sporen. Zij stelden dat de verhuurder geen allonge had opgesteld en dat dit had geleid tot problemen bij het verkrijgen van een vergunning voor kansspelautomaten. Daarnaast betwistte [gedaagde 1] dat hij moest betalen, omdat hij al een jaar uit het handelsregister was uitgeschreven.
Mede-eigenaren mogen meedoen, maar niet hun eigen strijd voeren
Voordat de kantonrechter aan de huurkwestie toekwam, moest hij beslissen over een incident. Twee andere mede-eigenaren van het pand, [eiser 2] en [eiser 3], wilden zich in de procedure voegen en daarin ook tussenkomen. Zij stelden dat zij als mede-eigenaren een wezenlijk belang hadden bij de uitkomst. Daarnaast hadden zij volgens eigen zeggen herhaaldelijk aan de verhuurder rekening en verantwoording gevraagd op grond van artikel 3:173 BW, met betaling van wat hun toekwam, en vorderden zij informatie van hem.
De verhuurder had geen bezwaar tegen voeging, maar wel tegen tussenkomst. Volgens hem ging het om een interne afrekening tussen deelgenoten, een andere rechtsverhouding dan de huurrechtelijke kwestie met de gedaagden.
De kantonrechter volgde dat onderscheid. Op grond van artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mag iedereen die belang heeft bij een procedure tussen anderen vragen zich daarin te voegen. Dat belang moet voldoende zijn, gelet op de nadelige feitelijke of juridische gevolgen die de uitspraak voor hem kan hebben. De mede-eigenaren hadden dat belang: een uitspraak over huurachterstand en ontruiming van hun pand raakt ook hen. Zij werden daarom toegelaten als voegende partij aan de kant van de verhuurder.
Tussenkomst werd geweigerd. Het belang dat de mede-eigenaren daarvoor aanvoerden, verschilde wezenlijk van het geschil in de hoofdzaak, dat alleen ging over de huurverhouding tussen verhuurder en gedaagden. Tussenkomst zou volgens de kantonrechter leiden tot onredelijke complexiteit en vertraging. Gezien de relatie tussen partijen werden de proceskosten in het incident gecompenseerd: iedereen draagt de eigen kosten.
Toetsingskader in kort geding
De kantonrechter zette vervolgens het bekende kader voor een kort geding uiteen. Een voorlopige voorziening kan worden gegeven als de eisende partij zoveel haast heeft dat zij de uitkomst van een bodemzaak niet hoeft af te wachten, en als de vordering in een bodemprocedure zoveel kans van slagen heeft dat toewijzing vooruitlopend daarop gerechtvaardigd is. Voor bewijslevering is in kort geding in beginsel geen plaats.
Voor geldvorderingen geldt extra terughoudendheid. De rechter onderzoekt dan niet alleen of de vordering voldoende aannemelijk is en of er spoed is, maar weegt ook het restitutierisico mee: de kans dat een betaald bedrag niet terug te halen is als de bodemrechter later anders oordeelt.
Het spoedeisend belang was hier volgens de kantonrechter gegeven. De verhuurder had aannemelijk gemaakt dat de huur al langere tijd niet werd betaald en dat de achterstand bleef oplopen.
Ontruiming toegewezen, met een ruimere termijn
Omdat de gedaagden de vordering niet betwistten, stond vast dat de achterstand bijna acht maanden bedroeg. Onder die omstandigheden kon volgens de kantonrechter met grote mate van zekerheid worden aangenomen dat een bodemrechter de huurovereenkomst zou ontbinden en de ontruiming van de bedrijfsruimte zou toewijzen. De ontruiming werd daarom toegewezen.
De kantonrechter gaf de gebruikers wel meer tijd dan de verhuurder had gevraagd. In plaats van twee dagen kregen zij veertien dagen na betekening van het vonnis om het pand leeg en ontruimd op te leveren, met afgifte van de sleutels.
Geen contractsovername zonder medewerking verhuurder
Het belangrijkste deel van het vonnis gaat over de vraag wie de huurachterstand moet betalen. De kantonrechter stelde voorop dat het enkele feit dat een vennootschap onder firma uit het handelsregister wordt uitgeschreven en dat zich op hetzelfde adres een andere ondernemer vestigt, de oorspronkelijke huurders niet bevrijdt van hun verplichtingen uit de huurovereenkomst.
Van contractsovername was volgens de kantonrechter geen sprake. Daarvoor is op grond van artikel 6:159 BW medewerking van de wederpartij nodig, hier de verhuurder, en die was niet verleend. Er was ook geen formeel verzoek tot indeplaatsstelling gedaan. De gedaagden hadden dit niet weersproken.
De uitgetreden vennoot blijft aansprakelijk
Voor [gedaagde 1] kwam daar nog een extra laag bij. Hij was weliswaar uitgetreden als vennoot, maar zijn aansprakelijkheid voor de huurschuld liep door. De kantonrechter wees op artikel 11.2 van het huurcontract: de aansprakelijkheid van een uitgetreden vennoot eindigt pas een jaar na de mededeling van de uittreding bij aangetekende brief aan de verhuurder. Gesteld noch gebleken was dat [gedaagde 1] zijn uittreding op die manier aan de verhuurder had gemeld. Dat hij zelf aanvoerde al een jaar uit het handelsregister te zijn uitgeschreven, maakte dat niet anders. De kantonrechter volgde de verhuurder in zijn stelling dat [gedaagde 1], hoewel geen vennoot meer, nog steeds aansprakelijk was.
De overige gedaagden hadden niet betwist dat zij contractueel, dan wel op grond van artikel 18 WvK als feitelijke gebruikers, de huur moesten betalen. Ook de hoogte van de achterstand stond niet ter discussie. Alle gedaagden werden daarom veroordeeld tot betaling van de achterstand en van de huur tot de datum van het vonnis. Ter zitting had de verhuurder toegelicht dat het maandbedrag € 5.498,14 inclusief btw is.
Boete, incassokosten en hoofdelijkheid
De contractuele boete werd eveneens toegewezen. Volgens artikel 26.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden betalen huurders bij te late betaling een boete van 2 procent per kalendermaand over de verschuldigde huur, met een minimum van € 300. De gevorderde € 1.800 werd niet betwist. Ook de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.073,15 werden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden van artikel 6:96 BW was voldaan.
De proceskosten van de verhuurder werden begroot op € 1.914,98: € 152,98 dagvaardingskosten, € 753 griffierecht, € 865 salaris gemachtigde en € 144 nakosten, plus eventuele betekeningskosten.
De veroordelingen voor huurachterstand, boetes en huur tot de vonnisdatum werden hoofdelijk uitgesproken. Iedere veroordeelde kan dus voor het hele bedrag worden aangesproken; wat de één betaalt, hoeft de ander niet meer te betalen. Voor de incassokosten had de verhuurder geen hoofdelijkheid gevraagd, zodat die veroordeling niet hoofdelijk is. Opvallend is dat de kantonrechter de proceskostenveroordeling wél ambtshalve hoofdelijk uitsprak, hoewel de verhuurder daar niet uitdrukkelijk om had gevraagd. Hij verwees daarvoor naar de rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:1942), waarin als uitgangspunt geldt dat twee of meer partijen die in de proceskosten worden veroordeeld, ieder voor het geheel aansprakelijk zijn. Over de proceskosten is de wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd als die niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Juridisch kader: huur van 290-bedrijfsruimte en personenvennootschappen
Het huurrecht voor 290-bedrijfsruimte (artikelen 7:290 tot en met 7:310 BW) biedt huurders van winkels, horeca en ambachtelijke bedrijven een relatief sterke positie, met onder meer huurbescherming bij opzegging en de mogelijkheid van huurprijsaanpassing. Daar hoort ook een eigen regeling voor de overdracht van het bedrijf bij. Op grond van artikel 7:307 BW kan een huurder die zijn bedrijf overdraagt aan de rechter vragen hem te machtigen de overnemer als huurder in zijn plaats te stellen, als de verhuurder daar niet zelf mee instemt. De rechter weegt dan onder meer of de overnemer voldoende waarborgen biedt voor nakoming van de huur.
Die route is in deze zaak niet bewandeld. De kantonrechter stelde vast dat er geen formeel verzoek tot indeplaatsstelling was gedaan. Zonder instemming van de verhuurder (artikel 6:159 BW) of een rechterlijke machtiging (artikel 7:307 BW) blijft de oorspronkelijke huurder dus gewoon gebonden, ook als in de praktijk een ander het bedrijf voortzet.
Bij een vennootschap onder firma komt daar het vennootschapsrecht bij. Op grond van artikel 18 WvK zijn de vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de firma. Voor een duurovereenkomst als huur, waarin elke maand een nieuwe betalingsverplichting ontstaat, is de vraag wanneer een vertrokken vennoot van die aansprakelijkheid af is, in de praktijk een terugkerend twistpunt. In dit geval hadden partijen dat in het contract zelf geregeld, met een duidelijke vormvereiste: een aangetekende brief aan de verhuurder, gevolgd door een termijn van een jaar. Omdat die brief er niet was, hoefde de kantonrechter niet in te gaan op de algemene vraag hoe lang een uitgetreden vennoot zonder zo’n bepaling aansprakelijk blijft. Inschrijving van de uittreding in het handelsregister alleen was niet genoeg.
Een tweede leerpunt betreft de ontbinding zelf. Een huurovereenkomst van 290-bedrijfsruimte kan in beginsel alleen door de rechter worden ontbonden (artikel 7:231 lid 1 BW). In kort geding spreekt de kantonrechter die ontbinding niet uit; hij beveelt wel de ontruiming als hij voldoende zeker is dat de bodemrechter zal ontbinden. Een achterstand van bijna acht maanden die niet wordt betwist, haalt die drempel ruim. De ontbinding zelf moet zo nodig nog in een bodemprocedure worden gevorderd.
Ten derde laat de uitspraak zien hoe het procesrecht omgaat met mede-eigenaren. Bij een gemeenschap in de zin van titel 3.7 BW kunnen de deelgenoten verschillende belangen hebben. Een mede-eigenaar die zich bij een huurgeschil voegt, steunt de verhuurder in de procedure tegen de huurder. Wie daarnaast een eigen vordering tegen de verhurende deelgenoot heeft, zoals rekening en verantwoording op grond van artikel 3:173 BW, moet die in een aparte procedure voeren. De kantonrechter weigerde dat geschil in het huurkortgeding te trekken.
Betekenis voor verhuurders, huurders en beleggers
Voor verhuurders van winkel- en horecapanden bevestigt de uitspraak dat een goed opgestelde toe- en uittredingsbepaling in het huurcontract veel waard is. Wie toestaat dat vennoten wisselen, kan in dezelfde bepaling vastleggen hoe en wanneer vertrekkende vennoten van hun aansprakelijkheid af zijn. Een vormvereiste als een aangetekende brief geeft houvast bij latere discussies. Het loont om bij wijzigingen in de huurderskring direct na te gaan wie volgens contract en handelsregister huurder is, en wie het pand feitelijk gebruikt. De verhuurder in deze zaak schreef alle betrokkenen tegelijk aan, met een duidelijke grondslag per partij.
Voor ondernemers die een horeca- of winkelbedrijf in een vof voeren of overnemen, is de les dat een wijziging in het handelsregister of een overname van aandelen de huurrelatie niet vanzelf meeverhuist. Wie het bedrijf overneemt en ook huurder wil worden, heeft daarvoor de instemming van de verhuurder nodig of, als die weigert, een machtiging van de rechter op grond van artikel 7:307 BW. Een vennoot die vertrekt, doet er goed aan om de uittreding precies te melden zoals het huurcontract voorschrijft, en dat bewijsbaar. Anders kan hij, zoals hier, maanden later nog worden aangesproken voor huur van een pand waar hij niets meer mee te maken heeft.
Voor beleggers en particuliere eigenaren die een pand met meerdere partijen in eigendom hebben, laat het incident zien dat interne afspraken tussen mede-eigenaren buiten het huurgeschil worden gehouden. Een heldere beheerafspraak, met wie mag optreden namens de gemeenschap en hoe huuropbrengsten worden verdeeld, voorkomt dat huurgeschillen en geschillen tussen eigenaren door elkaar gaan lopen.
Praktische tips
- Leg in het huurcontract vast onder welke voorwaarden vennoten kunnen toe- of uittreden en wanneer de aansprakelijkheid van een vertrokken vennoot eindigt, inclusief de vorm van de melding.
- Controleer bij een betalingsachterstand niet alleen het huurcontract, maar ook het handelsregister en de feitelijke situatie ter plaatse. Spreek iedere partij aan op de juiste grondslag.
- Huurders die het bedrijf willen overdragen: vraag schriftelijk instemming van de verhuurder of start tijdig een procedure tot indeplaatsstelling op grond van artikel 7:307 BW.
- Vraag bij meerdere veroordeelden uitdrukkelijk om hoofdelijke veroordeling, ook voor incassokosten. De rechter kan dat voor de proceskosten ambtshalve doen, maar voor andere posten niet zonder verzoek.
- Mede-eigenaren met een geschil onderling: regel rekening en verantwoording in een eigen procedure; een huurkortgeding is daar niet de plek voor.
Hoe nu verder
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat de verhuurder de ontruiming veertien dagen na betekening kan laten uitvoeren, ook als de gedaagden in hoger beroep gaan. Of er een bodemprocedure tot ontbinding volgt, of hoger beroep tegen het kortgedingvonnis, blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraak. De kantonrechter die het vonnis wees, is mr. J.M. Marsman.
Bron: Rechtspraak.nl – ECLI:NL:RBOVE:2026:6496, Rechtbank Overijssel, 15 oktober 2026 · Extra bronnen: NOvA Advocatenzoeker – mr. M.B. Bollen · SPRAAQ