De bouw moet tussen 2027 en 2030 ongeveer 73.000 nieuwe arbeidskrachten binnenhalen om de verwachte productiegroei bij te benen. Dat staat in Trends op de bouwarbeidsmarkt 2026-2030, de jaarlijkse arbeidsmarktrapportage van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), die op 22 oktober verscheen. Ruim 21.000 van die mensen moeten van buiten het bouwonderwijs komen, en juist in die vijver vist ook de snel groeiende defensiesector. Voor beleggers, ontwikkelaars en gebruikers van vastgoed betekent dat: bouwcapaciteit wordt de komende jaren een schaarse grondstof, met gevolgen voor planning, kosten en de keuze tussen nieuwbouw en bestaand vastgoed.
Werkgelegenheid groeit, maar de krapte blijft
Volgens het EIB groeit de werkgelegenheid in de bouw dit jaar met ongeveer 1% tot 556.000 arbeidsjaren, het dertiende jaar op rij met groei. Onder dat gematigde cijfer zit een flinke verschuiving. Het aantal werknemers neemt met 11.000 arbeidsjaren toe, terwijl het aantal zelfstandigen met 6.000 daalt en het aantal uitzendkrachten gelijk blijft. Het instituut koppelt de daling bij de zzp’ers aan de hervatte handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst: een deel van de zelfstandigen is in loondienst gegaan en minder werknemers maken de stap naar het ondernemerschap.
De spanning op de arbeidsmarkt is iets afgenomen, maar nog altijd hoog. In het eerste halfjaar van 2026 stonden er in de bouw 74 vacatures open per duizend banen, tegen gemiddeld 79 in 2025. Dat ligt ruim boven het gemiddelde van de hele Nederlandse economie. De orderportefeuilles waren in dezelfde periode gemiddeld 14% dikker dan een jaar eerder, en gemiddeld 23% van de bouwbedrijven meldde stagnatie door personeelsgebrek, tegen 20% een jaar eerder. De grootste tekorten ziet het EIB bij kaderfuncties, installatiemonteurs, elektrotechnici, machinisten en monteurs van mobiele werktuigen.
Er is ook goed nieuws. Het aantal mbo-studenten in bouwopleidingen steeg in 2025 met 4% tot ruim 41.000, terwijl het technisch mbo als geheel krimpt. Het aandeel van de bouw binnen de techniekopleidingen groeit daardoor tot ongeveer 34%. Met jaarlijks ruim 13.000 nieuwe krachten blijft het onderwijs veruit de belangrijkste bron van personeel. De arbeidsproductiviteit herstelt bovendien en stijgt in 2026 met 1%.
Defensie concurreert om dezelfde vakmensen
Van de 73.000 benodigde arbeidskrachten zijn er ongeveer 47.000 nodig om mensen te vervangen die met pensioen gaan of arbeidsongeschikt raken. Zo’n 26.000 zijn nodig voor uitbreiding, omdat de bouwproductie volgens het EIB in 2027 met ongeveer 3,5% groeit en daarna met gemiddeld 3% per jaar. Het onderwijs kan naar verwachting circa 52.000 mensen leveren. De rest, ruim 21.000, moet via zij-instroom komen.
Daar wringt het. Buitenlandse arbeidskrachten worden minder vanzelfsprekend, schrijft het EIB. Veel van hen werken als zelfstandige en lopen relatief vaak het risico als schijnzelfstandige te worden aangemerkt. Strengere huisvestingseisen en het tekort aan geschikte woonruimte maken werving duurder, en in 2025 vertrokken meer mensen van Poolse herkomst uit Nederland dan er kwamen. Voor dit jaar verwacht het instituut per saldo een uitstroom van ongeveer 1.000 buitenlandse arbeidskrachten in de bouw.
Daarbovenop komt de opschaling van Defensie, die het personeelsbestand wil laten groeien van 80.000 naar 125.000 mensen, en van de defensie-industrie. Samen vragen zij tot en met 2035 naar schatting 5.100 extra voltijdbanen per jaar, plus jaarlijks ongeveer 3.700 extra reservisten. Volgens het EIB is de bouw de sector die daar het sterkst aan is blootgesteld. De bouw is goed voor minder dan 5% van de werkgelegenheid, maar historisch komt bijna 15% van de studenten met een voor defensie relevante opleiding in de bouw terecht. Defensie werft bovendien hetzelfde profiel: jong, praktisch of middelbaar opgeleid, technisch en fysiek werk. Het instituut schat dat de defensiesector de bouw in 2026-2035 in totaal ruim 11.000 arbeidsjaren kost, gemiddeld ongeveer 1.100 per jaar. Dat is 5 tot 10% van de jaarlijkse instroombehoefte van de bouw. Vooral bij krapteberoepen kan dat al tot projectvertraging leiden.
Wat dit betekent voor beleggers en gebruikers
Voor de zakelijke vastgoedmarkt zit de interessantste passage in de productieverwachting. Het EIB voorziet dat de groei in 2028-2030 vooral uit de utiliteitsbouw komt, en dan vooral uit nieuwbouw. Dat segment, waaronder kantoren, bedrijfshallen, logistiek en maatschappelijk vastgoed, kromp in 2024 het sterkst en zit nog onder het niveau van 2023. Dit jaar daalt de utiliteitsnieuwbouw nog met 5,5%, minder hard dan in de twee jaren ervoor. Woningbouw laat de laagste gemiddelde groei zien. Het instituut wijst op het herstel van de vergunningverlening sinds 2024 als motor achter de nieuwbouwgroei.
Daaruit volgen drie aandachtspunten. Ten eerste worden bouwslots schaars. Wie de komende jaren een kantoor, distributiecentrum of bedrijfsverzamelgebouw wil laten bouwen of grondig verduurzamen, concurreert met woningbouw, netuitbreiding en infrastructuur om dezelfde installateurs en elektrotechnici. Vroeg contracteren en bouwteams met vaste partners kunnen dan het verschil maken.
Ten tweede blijft de kostendruk. Het EIB rekent niet in euro’s, maar een arbeidsmarkt waar bijna een kwart van de bedrijven stagnatie meldt en orderboeken groeien, geeft aannemers weinig reden om scherp te prijzen. Dat sluit aan bij de analyse van Brainbay voor de NVM van 21 oktober, waaruit bleek dat nieuwbouwwoningen ruim 8% duurder zijn dan vergelijkbare bestaande woningen, onder meer door hogere bouwkosten en strengere eisen. Voor beleggers kan bestaand, goed gelegen vastgoed met een overzichtelijke renovatieopgave daardoor relatief aantrekkelijker worden dan nieuwbouw op papier.
Ten derde wint industrialisatie terrein. Het EIB gaat uit van 2% productiviteitsgroei per jaar. Valt die lager uit, dan zijn nog meer zij-instromers nodig. Prefab, modulair en conceptueel bouwen, die met minder mensen op de bouwplaats toe kunnen, worden daarmee meer dan een duurzaamheidskeuze: ze worden een manier om de planning zeker te stellen.
Hoe nu verder
De rapportage verschijnt sinds 2017 elk jaar in opdracht van de cao-partijen in Bouw en Infra. Het EIB concludeert dat de beschikbare arbeidscapaciteit steeds meer het tempo bepaalt waarin woningbouw, verduurzaming, netuitbreiding en vervanging van infrastructuur kunnen worden gerealiseerd. Voor wie in de komende vier jaar wil bouwen of verbouwen, is de boodschap duidelijk: reken niet op ruime capaciteit en neem personeelskrapte mee als risico in de projectplanning.
Bron: EIB – Trends op de bouwarbeidsmarkt 2026-2030 · Rapport (pdf): eib.nl · Zie ook: Vastgoedjournaal, NVM