Een huurder van bedrijfsruimte hoeft een indexatie op basis van de piekinflatie van 2022 niet zonder meer te slikken. Dat blijkt uit een vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam van 18 januari 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:193) in een zaak van ruim vijftig handelaren en exporteurs tegen Coöperatie Royal FloraHolland.
Boxruimte op de veiling
De eisers, vrijwel allemaal bedrijven uit de sierteelthandel, huren boxruimte in de hallen van de bloemenveiling in Aalsmeer. Daar verzamelen en verwerken zij de producten die zij op de veiling kopen. De algemene huurbepalingen van de veiling koppelen de jaarlijkse huurverhoging per 1 januari aan de CPI-jaarmutatie van het CBS over de maand juli van het voorgaande jaar. Dezelfde index geldt voor de servicekosten, en de clausule bepaalt dat indexering nooit tot huurverlaging mag leiden. Voor juli 2022 kwam de CPI-jaarmutatie op 10,3% uit. FloraHolland kondigde die verhoging aan en bood daarbij een eenmalige teruggave van 2% van de jaarhuur over 2023.
De huurders maakten in december 2022 bezwaar en stelden dat de indexatie gelijk moest zijn aan de kerninflatie van 3,7%. Toen een oplossing uitbleef, stapten vijftig bedrijven naar de kantonrechter; een eenenvijftigste partij voegde zich later in de procedure. De mondelinge behandeling vond plaats op 26 september 2023.
Geen onvoorziene omstandigheid, geen kerninflatie
De huurders voerden drie argumenten aan. Het beroep op onvoorziene omstandigheden (de energiecrisis na de Russische inval in Oekraïne) faalde: volgens de kantonrechter is een indexatieclausule juist bedoeld voor perioden van lage én hoge inflatie. Ook de wens om alleen de kerninflatie, zonder energie en voedsel, toe te passen, werd verworpen. Partijen hadden bewust voor de CPI gekozen en in het verleden was nooit anders geïndexeerd.
Wel onaanvaardbaar
Het derde argument slaagde wel. Het CBS heeft in 2023 zijn berekeningswijze aangepast, omdat de oude methode de energieprijzen van lopende contracten onvoldoende meenam en de inflatie in de zomer van 2022 daardoor te hoog weergaf. Volgens de herberekening van het CBS had de CPI voor juli 2022 tussen 7,4% en 8,6% gelegen. Onverkorte toepassing van 10,3% dient dan niet meer het doel van de clausule: de huur corrigeren voor de werkelijke inflatie. Dat maakt de verhoging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
De betaalkorting van 2% bood volgens de rechter onvoldoende soelaas. Die bracht de feitelijke huur over 2023 weliswaar op ongeveer 8%, maar de hogere huurbasis zou in latere jaren doorwerken via indexatie op indexatie.
De methodewijziging van het CBS
Het CBS ging vanaf de inflatiecijfers over juni 2023 over op een methode waarin naast nieuwe energiecontracten ook de prijzen van lopende contracten worden meegenomen. Eerder gepubliceerde CPI-cijfers zijn daarbij uitdrukkelijk niet herzien; de herberekening over 2022 is een onderzoeksreeks. Volgens die reeks lag de inflatie in 2022 op veel momenten fors lager: voor september 2022 bijvoorbeeld 7,8% in plaats van de gepubliceerde 14,5%. Juist omdat de officiële cijfers niet zijn aangepast, moest de huurder zich beroepen op de redelijkheid en billijkheid.
Uitkomst en betekenis
De kantonrechter verklaart voor recht dat de indexatie per 1 januari 2023 8% bedraagt, het midden van de bandbreedte. FloraHolland moet te veel betaalde huur terugbetalen; de huurders verliezen op hun beurt de 2%-korting. Voor verhuurders en huurders met CPI-clausules is het vonnis een signaal dat de gecorrigeerde inflatiecijfers over 2022 in geschillen een rol kunnen spelen. Het gaat om een uitspraak in eerste aanleg; of hoger beroep is ingesteld, blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraak.
Bron: Rechtbank Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2024:193; extra bron: CBS